Pamela Cuiper: ‘Als die ellende er dan tóch is, dan wil ik daar wel graag bij zijn”
GERSLOOT - “Ik wist niet hoe lang ik werk zou hebben om op de kazerne te komen. Dus toen ’s nachts de pieper ging, ben ik uit m’n bed in de auto gesprongen en kwam ik als tweede aan.

Adrenaline tot aan het plafond. Ik kreeg ook nog het pak snel genoeg aan en ik zat in de wagen. Spannend, natuurlijk. Kabaal van de sirene, zwaailichten. Prachtig. Terug op de kazerne was ik nog steeds verwonderd dat ik als tweede hier was. Toen we in de kleedkamer onze kleren uittrokken bleek hoe dat kon, want ik was de enige die alleen met T-shirt en een onderbroek aan in het pak was geschoten. De rest had allemaal kleren aan. Daar is smakelijk om gelachen.”
Het is het verhaal van de eerste keer, dat Pamela Cuiper in actie moest komen bij de brandweerpost Tjalleberd. We zoeken haar op in deze kazerne, en – aardig detail – we constateren dat de stoelen een rode stoffering hebben.
Gemiddeld een uur
Pamela blikt terug op ‘haar eerste keer’: “Als je de aanstellingskeuring met goed gevolg aflegt, pas je je pak, krijg je een eigen plek in de kleedkamer en krijg je een pieper. Dan is het wachten tot de eerste keer dat ie afgaat. Dat was op 4 februari 2020. Trouwens, ik stap met een uitruk ’s nachts nog steeds in mijn onderbroekje en T-shirt in mijn pak. Je zit zo vol adrenaline, kou merk je niets van, joh. Ik heb hier wel kleren liggen voor ná de tijd. En sokken, want met blote voeten in je bluslaarzen is wel koud. Helemaal als je zes uur staat te blussen.” Dat gebeurt niet zo heel vaak want volgens Pamela duurt een uitruk gemiddeld een uur.
Aanhouder wint
“Altijd op zoek naar iets nieuws, spanning en avontuur”, zoals door haar ouders omschreven, meldde Pamela zich vijf jaar gelden aan bij de brandweer. “Er was een oproep geweest waar vrijwilligers werden gezocht. Maar dat was toch minder gemakkelijk dan ik dacht. Het gesprek met de ploegleider was erg leuk; hij was super-enthousiast. Tot de beschikbaarheid ter sprake kwam. Je moet drie dagen in de week beschikbaar zijn. Dat was ik, want ik werkte vier dagen. Fout. Het was drie doordeweekse dagen. Een no-go.” Lang verhaal kort: Pamela werkte als HR-manager en kon het zo plooien dat ze twee dagen in de week beschikbaar kon zijn. En kwam tijdens een uitwisseling de ploegleider van brandweerpost Tjalleberd tegen. Waarschijnlijk enthousiast geworden door haar doorzettingsvermogen heeft hij er uiteindelijk voor gezorgd dat ze sinds vier jaar deel uitmaakt van het korps in haar dorp. Typisch voorbeeld van de aanhouder wint.
Vier keer verhuisd
De liefde bracht de Brabantse Pamela naar Friesland. Via een omweg, want in eerste instantie kwam de liefde in de persoon van haar man Albert bij haar wonen, in Son en Breugel in de meierij van ‘s-Hertogenbosch. Pamela: “We hadden een boot, in Wolvega. We waren elk weekend in Friesland. Ik ben van het avontuur, dus toen dacht ik: ‘Dan kunnen we daar ook wel wonen’.” En zo geschiedde in 2010. Samen met intussen een zoon en een dochter werd een woning betrokken in Oosterzee. Niets en niemand te kort willen doen, zegt ze diplomatiek: “Het was niet de sfeer die bij me past.” Van Oosterzee werd verhuisd naar Gorredijk. Ook daar woonden ze maar kort, alleen waren nu familieomstandigheden de reden voor een verhuizing, terug naar Son en Breugel, met een derde kind.
“Mijn ouders waren ziek en dan is Brabant toch ver weg. Dat was niet de allerbeste keuze. We konden het daar niet vinden.” U raadt het: terug naar Friesland. “Onderhuids heb ik het misschien steeds geweten, want al die tijd ben ik in Drachten blijven werken: drie dagen in de week thuis en twee dagen daar.” Dat ‘terug naar Friesland’ werd Gersloot. Voorgoed? “Dat is een groot woord”, lacht ze. “We zijn niet gebonden aan een woning, maar we gaan zeker niet terug naar Brabant.”
‘Op zijn Pamelas’
Op zoek naar een andere uitdaging zoals dat zo fraai heet, is Pamela sinds februari 2021 brandweercentralist op de meldkamer in Drachten. Ook dat ging weer ‘op zijn Pamelas’. Ze ging op sollicitatiegesprek, maar voldeed niet aan de voorwaarde dat je brandweerervaring moet hebben en bij voorkeur bevelvoerder moet zijn om deze functie te kunnen uitoefenen. Dat was ze vier jaar geleden niet, sterker nog, ze was nog niet eens aan de opleiding manschap begonnen. In plaats van een avondopleiding van twee jaar deed ze vier dagen in de week een dagopleiding en had ze in drie maanden haar diploma manschap. Nog niet klaar met de opleiding en met de gedachte ‘er komt vast weer eens een vacature voorbij’ werd ze gebeld door het hoofd van de meldkamer brandweer of ze nog interesse had.
“Ze hadden de casus gezien die ik had gemaakt als onderdeel van de sollicitatie en waren onder de indruk.” Kostje gekocht. “In het eerste jaar dacht ik elke keer: ‘Wauw, dat ik híér mag werken’. Ik snapte ook niets van mensen, die zeiden: ‘Je wordt nooit eens gebeld met iets leuks’. Het is echt prachtig werk. Het komt voor dat je ’s nachts echt nul telefoontjes krijgt, maar er zijn ook dagen dat je niet eens naar het toilet kunt.”
Hoogst leidinggevende
In Drachten zit de meldkamer voor de drie noordelijke provincies. In de praktijk betekent brandweercentralist het aannemen van 112-meldingen, van de 0900-lijn en interne lijnen en aan de andere kant worden ook alle meldingen afgehandeld. “Dit houdt in dat je de melding aanneemt; goed uitvraagt wat er aan de hand is; denkt als bevelvoerder. Je begeleidt de auto naar een incident door bijvoorbeeld te vertellen wat je weet, door extra voertuigen te alarmeren en door op te schalen.”
Het is bijna te veel, maar intussen deed ze ook nog een jaar lang de opleiding bevelvoerder. In die functie ben je de hoogst leidinggevende op de tankautospuit en verantwoordelijk voor de inzet en voor de manschappen. Grote verschil met de ploegleider is, dat die aan de koude kant staat en alles voor de ploeg regelt. Het korps Tjalleberd bestaat uit zestien mannen en één vrouw.
De kick van een fik
“Je moet dit niet gaan doen uit plichtsbesef!”, waarschuwt Pamela Cuiper. “Mensen zeggen vaak dat ze iets terug willen doen voor de maatschappij. Bluhhhh! Je doet het omdat je het spannend en stoer vindt om brandweerman of -vrouw te zijn. Je moet het doen omdat het je passie is. Ik vind nog steeds de nachtelijke uitrukken het mooist. Het is stil, iedereen ligt te slapen en dan ga je vervolgens met die blauwe lampen en een hoop lawaai onderweg. Je mag natuurlijk niet blij zijn met andermans ellende maar als die ellende er dan tóch is, dan wil ik daar wel graag bij zijn. En helemaal als die ellende een brand is. Want laten we eerlijk zijn, je gaat niet bij de brandweer omdat je een schaap uit de sloot trekken zo leuk vindt. Het is de kick van een fik.”
Paardenmoeder, géén paardenmeisje
Naast brandweercentralist en bevelvoerder is Pamela ook echtgenote, moeder van drie kinderen van vijftien, dertien en tien jaar oud en paardenmoeder. “Beslist geen paardenmeisje”, haast ze zich te zeggen. “Ik heb vroeger ook nooit iets met paarden gehad. Mijn dochter rijdt paard, daarmee is ze begonnen toen we die twee jaar in Brabant woonden. Toen we dit huis kochten, zat daar wat grond bij. Wat ga je daarmee doen? Van minicamping tot zwemvijver, van alles kwam voorbij, maar uiteindelijk zeiden we: ‘Als zij paarden zo leuk vindt, zullen we dan een pony kopen?’ Maar een pony kan niet alleen staan, dus dat moesten er twee worden. Zo hadden we ineens twee pony’s. Nog steeds was ik er hartstikke bang voor, want het heet dan wel een pony, ze hebben een schofthoogte van 1,46 meter.”
Gehobbel
“Onze dochter is wél een echt paardenmeisje; ze is zeven dagen in de week bij de paarden. Stallen uitmesten, verzorgen, erop rijden, trainen, wedstrijden. Ik hoor me nog tegen haar zeggen: ‘Als je verder wilt, dan moet er wel eentje weg voordat er een nieuwe komt’. Nu hebben we er vier”, schiet ze in de lach.
Intussen lijkt het paardenvirus toegeslagen want de sportpony is vorig jaar april bevallen, op de verjaardag van haar dochter. Hoe leuk wil je het hebben? Zelf rijden is er voor Pamela nog steeds niet bij. “Ik heb een tijdlang les gehad en ik denk ook dat ik er niet heel slecht in was, maar ik vind het gewoon niet leuk om te doen. Ik vind het niet per se meer heel eng, want ik stap er wel zo op, maar ik vind het gehobbel. Ik heb mijn eigen hobby’s. Maar ik kan er wel echt van genieten. Zoals laatst met die sneeuw ook. Dan staan ze daar, loop je er naartoe en dan is er altijd wel eentje die komt kroelen. Dat vind ik leuk, maar ik ga er niet op zitten.”












