Joyce Boerrigter: “Het leven is één grote leerschool”
Ze houdt van schaken en van muziek en ze bezoekt regelmatig zieke mensen. Joyce Boerrigter (83), oma en overgrootmoeder, is ondanks haar leeftijd nog steeds een actieve vrouw die midden in het leven staat. Aan Groot Heerenveen vertelt ze haar indrukwekkende levensverhaal.

Joyce Boerrigter
Joyce Boerrigter woont in één van de flats in de vogelbuurt in de wijk De Greiden in Heerenveen. Ze heeft een prachtig uitzicht over de wijk en ze woont er al jaren met veel plezier. Maar Heerenveen is lang niet de enige plek waar ze in haar leven gewoond heeft. Joyce wordt in Nijmegen geboren, als jongste dochter van een gezin met drie kinderen. Het is dan 1937, een paar jaar voordat de Tweede Wereldoorlog uitbreekt. De oorlog zal een grote stempel op haar jonge leven drukken. “Mijn leven is heel heftig begonnen”, zegt ze, en ze begint te vertellen.
De Oranjewacht
Joyce is drie jaar oud als Nederland bezet wordt door de Duitsers. Haar vader werkt op dat moment als artsenbezoeker voor het farmaceutische bedrijf Organon in Oss. “Tijdens de oorlog zat mijn vader, net als veel andere mensen van Organon, bij de verzetsgroep ‘De Oranjewacht’, een groep die al in juni 1940 in Arnhem was opgericht. In 1941 werd mijn vader door verraad opgepakt en gevangen gezet in ‘het Oranjehotel’. Dat was de bijnaam voor de beruchte gevangenis van Scheveningen.” In deze gevangenis worden tijdens de oorlog ruim 25.000 mensen door de Duitsers opgesloten voor verhoor en berechting. De meeste van hen zijn verzetsstrijders. De gevangenis staat er om berucht, dat er vele gevangenen door de Duitsers gemarteld worden, tot de dood aan toe. Nadat haar vader is opgepakt, verhuist moeder met de kinderen naar Den Haag, zodat ze haar man vaker kan bezoeken.
Zwartgeblakerde brieven
Joyce vertelt het verhaal over haar jeugd en haar vader schijnbaar onbewogen, maar een intens verdriet is voelbaar. “Ik was vier jaar oud toen mijn vader gevangen genomen werd, en vijf jaar toen hij gefusilleerd werd. Ik heb hem nauwelijks gekend, maar ben er later achter gekomen dat hij een gezellige man was, dat hij van tuinieren en van filosofie hield en dat hij zelf meubels ontwierp. Hij was chemicus, bioloog en geoloog en zat bij de vrijmetselaarsloge van Nijmegen. Vanuit de gevangenis stuurde hij ons brieven. In de dag vóór zijn terechtstelling, schreef hij bijvoorbeeld dat hij ons wijsheid, kracht en schoonheid wenste. En dat we niet de moed moesten laten zakken. Ook schreef hij, dat het beter is staande te sterven dan knielend te leven. En dat hij ervan overtuigd was dat de dood niet het einde zou zijn.”
De grootouders van Joyce bewaren de brieven van hun zoon bij hen thuis in Wageningen. Als Wageningen gebombardeerd wordt en er een bom op het huis van haar grootouders valt, komt oma om het leven. Opa weet het kistje met de zwartgeblakerde brieven te redden. Joyce pakt in stilte uit een oude schoenendoos een stapel zwart omrande brieven. Op het middenstuk is nog het handschrift van haar vader zichtbaar is. Woorden schieten tekort. “Ik heb dit alles mijn hele leven met mij meegedragen.”
In militaire dienst
Joyce vervolgt haar verhaal. “In 1944-1945 was het hongerwinter, en in Den Haag betekende dit écht honger. We gingen naar de gaarkeuken en aten tulpenbollen. Mijn moeder verkocht haar juwelen, zodat wij alle drie ondergebracht konden worden bij dezelfde boerenfamilie in Ter Apel. Ik herinner mij nog, dat we er roggebrood met uitgebakken spek en stroop kregen. Wat een traktatie!” Na de oorlog keert Joyce terug naar Den Haag. Ze gaat naar school, haalt haar Mulo-diploma en vertrekt vervolgens voor drie jaar als au-pair naar Engeland.
“Ik was bijna zestien jaar toen ik naar Engeland ging. Toen ik terugkwam naar Nederland twijfelde ik. Zal ik verpleegster worden of in militaire dienst gaan? Het werd dit laatste. Ik dacht, als er ooit weer oorlog komt, dan wil ik iets kunnen doen. Ik kwam terecht bij de MILVA, de Militaire Vrouwen Afdeling. Ik ben vijf jaar in dienst geweest, waarvan een aantal jaren op het secretariaat van de NATO, omdat daar veel Engels werd gesproken. In Engeland had ik mijn ‘Lower Cambridge’ certificaat gehaald, en ze konden mij op het secretariaat goed gebruiken.”
Van Indonesië naar Heerenveen
Joyce trouwt met een straaljagerpiloot en samen krijgen ze twee dochters. Het gezin woont achtereenvolgens in Soest en in Leeuwarden. Maar als de man van Joyce voor Indonesian Air Transport gaat werken, verhuizen ze naar Indonesië. Ze wonen vier jaar in Djakarta en een jaar in Singapore. “Ik voelde mij meteen thuis in Indonesië, het had iets vertrouwds. Ik heb Indonesische voorouders en mijn vader is in Djokjakarta geboren.”
Na vijf jaar keert Joyce met de kinderen terug naar Nederland, zodat de dochters hier naar de middelbare school kunnen. Haar man blijft voor zijn werk in Indonesië achter. Joyce kiest er voor om in Heerenveen te gaan wonen en komt op de Lepelaarstraat terecht. “Ik ben dol op de Friezen. ‘Ja’ is ‘ja’ bij hen en ‘nee’ is ‘nee’. En Heerenveen heeft alles te bieden. Bos en water, een goede treinverbinding en ondanks dat het niet groot is heeft het een stadse allure. Bovendien woonden mijn schoonouders hier, en zij waren voor langere tijd bij ons in Indonesië op bezoek geweest. Ik had met hen een hele diepe band gekregen.”
Het leven opbouwen
Haar huwelijk is echter wankel en eindigt in een echtscheiding. De scheiding is een pijnlijke tegenslag. Maar Joyce zet haar schouders eronder en bouwt haar leven in Heerenveen verder op. Ze sluit zich aan bij de Doopsgezinde Kerk. Alhoewel ze niet gelovig is opgevoed, kiest ze er bewust voor om lid te worden van deze kerk. “Ik was zoekende en had geestelijke voeding nodig. Deze kerk sprak mij aan, omdat je als volwassene wordt gedoopt. Bovendien is het geen dogmatische kerk. Het gaat om de daden, niet om de woorden.” Joyce doet belijdenis en wordt gedoopt. Ook doet ze een cursus Fries bij Afûk. Ze vindt het belangrijk om zich te kunnen verbinden met de mensen om haar heen en wil graag de Friese taal leren spreken en verstaan. Omdat ze tijdens de dienstjaren bij de MILVA ook een opleiding tot schoonheidsspecialiste gedaan heeft, begint ze een schoonheidssalon aan huis.
Ismakogie
Haar werk is echter te zwaar voor haar rug. Als ze door ernstige rugklachten volledig wordt afgekeurd voor haar werk en ze ook niet meer mag traplopen, verhuist ze naar de flat. Ze is dan halverwege de veertig. Joyce komt in aanraking met ismakogie, een bewegingsleer die raakvlakken heeft met Mensendieck en Cesartherapie. Ondanks haar rugpijn kan ze de oefeningen doen en ze merkt dat het een positieve invloed heeft op haar pijnklachten. In de jaren die volgen doet ze een opleiding tot ismakogie-docente. Ze geeft lezingen en cursussen en helpt veel mensen via ismakogie met het verlichten van hun pijnklachten. Joyce werkt graag met mensen, want “als je veel meegemaakt hebt, kun je andere mensen beter begrijpen en er voor ze zijn.” Ze wordt lid van de Bond van Plattelandsvrouwen en is bestuurslid van de LIVE, de Landelijke Ismakogie Vereniging. Ze geeft jarenlang leiding aan een zogenaamde ‘groeigroep’, een groep die samen van gedachten wisselt over onderwerpen betreffende lichaam, ziel en geest. “Het leven is één grote leerschool”, lacht ze.
Tweede huwelijk
Via een bemiddelingsbureau ontmoet ze haar tweede man. Hij is Joods en heeft de bombardementen in Berlijn meegemaakt. “Toen we aan het daten waren kwam ik er achter dat hij Joods was. Hij moest van zijn moeder altijd zeggen dat hij Katholiek was en stelde zich in eerste instantie voor met een Nederlandse naam. Tijdens ons huwelijk ontdekte ik, dat hij posttraumatische stressklachten had, zoals angstdromen. Mede door ons verleden hadden wij een klik met elkaar en we zijn uiteindelijk twintig jaar met elkaar getrouwd geweest.” Haar man komt helaas te overlijden. Joyce wordt mede-oprichtster van Stichting Vrijwilligers Terminale Thuiszorg Heerenveen en vult de uren op, als andere zorgverleners er niet zijn. “Mensen op hun sterfbed vinden het fijn als er iemand aanwezig is. Ik ben dankbaar voor de tijd die ik bij Stichting Terminale Thuiszorg heb mee mogen maken. Als mensen stervende zijn, vallen alle maskers weg en zijn ze zo ontvankelijk. Dat ik iets voor hen heb mogen betekenen deed mij goed.”
Van het leven genieten
In 2009, als ze 72 jaar is, krijgt Joyce een relatie met haar huidige partner. Ze kennen elkaar via de kerk en hebben dezelfde interesses. In de beginjaren van hun relatie maken ze vaak uitjes op zijn motor. Joyce neemt dan zelfs een paar motorrijlessen. “Maar ik kon met mijn korte pootjes niet goed bij de grond als ik op de motor van de rij-instructeur zat,” lacht ze, “dus ik ben er mee gestopt.” Samen met haar vriend geniet ze voluit van het leven. Ze is inmiddels overgrootmoeder.
En Joyce blijft actief. “Ik houd van muziek en van bewegen en ben vaak in de sportschool te vinden. Ook ga ik regelmatig op ziekenbezoek en geef ik in wijkcentrum de As les in ismakogie. Als ik zie dat iemand, die veel pijn heeft, opknapt door de oefeningen, dan vind ik dat prachtig! Hoe triest en heftig mijn leven ook begonnen is, ik ben nu buitengewoon gelukkig en geniet met volle teugen van het leven.”
Door Marije Nutma Foto’s: Mustafa Gumussu / FPH















