Sport

THUIS BIJ: ERWIN EN NIELS MESU

Door Miriam Bruijstens

Afbeelding
Natuurijshelden. Met de eerste natuurijsmarathon in Nederland achter de rug en de wedstrijden in het buitenland in volle gang, kunnen we er niet genoeg van krijgen. En natuurijshelden zijn ze. In 2015 won Erwin Mesu de alternatieve Elfstedentocht op de Weissensee en stond hun verhaal flink in de belangstelling. In 2016 was het de beurt aan broer Niels (thans woonachtig in Tjalleberd) om de alternatieve Elfstedentocht te winnen. Het sprookje is compleet.

Enige tijd geleden zat ik op de bank in huize Mesu. Niels gaf toen al aan ambities te hebben op de Alternatieve Elfstedentocht. “Ik ga maar met weinig ploeggenoten, alleen Mats Stoltenborg denk ik, dus ik kan vrij rijden. Ik vind het hartstikke mooi dat Erwin vorig jaar gewonnen heeft, maar ik win liever zelf.” zei hij. Om er knipogend aan toe te voegen: “Cadeautjes worden niet meer gegeven.” Hoe de wedstrijd verliep, weten we inmiddels allemaal. Een prachtige zege van Niels en tweemaal de naam ‘Mesu’ op het bord met winnaars. Over de ziekte van Niels en de blessure van Erwin is inmiddels genoeg geschreven. Daarom hadden wij het vooral over schaatsen, de Elfstedentocht en Zeeland. Een dubbelinterview met twee pure topsporters.

We blikken eerst nog even terug op vorig jaar. “Het was heel bijzonder,” zegt Erwin. “Natuurlijk omdat ik won, maar ook omdat mijn vorm zo goed was. Dat je er alles voor gedaan hebt en dat alles dan op die dag samen komt. Dat voelt gewoon heel goed. Het was ook mijn eerste overwinning op schaatsen. Als je nog nooit op het podium hebt gestaan en dan win je in een keer de belangrijkste wedstrijd, dan is dat heel mooi.”

Zouden jullie het leuk vinden om bij elkaar in de ploeg te zitten? “Nee, juist niet,” klinkt het in koor. “We kennen elkaar zo goed, we wonen in hetzelfde huis,” vervolgt Erwin. “Dan werkt het juist wel goed om ook dingen anders te doen. We kijken ook op een heel andere manier tegen het schaatsen aan, we trainen ook nooit samen.” “Sterker nog,” gaat Niels verder, “Als we allebei een lange duurrit op het programma hebben staan, gaat de een vijf minuten eerder weg dan de ander, of we fietsen allebei een andere kant op.” “Ik denk dat we in het afgelopen jaar misschien twee of drie keer samen hebben getraind,” zegt Erwin. “Wij kunnen van jongs af aan al niet goed samen fietsen,” lacht Niels. “We fietsen elkaar helemaal kapot.” Erwin: “We hebben natuurlijk ook allebei een ander trainingsschema en we vinden allebei dat ons eigen schema het beste is.”

Wat doet dat met je, tweehonderd kilometer schaatsen? Erwin: “Je zit in een tunnel. Je bent alleen maar bezig met de vijf meter ijs die voor je ligt. Je hebt alleen maar oog voor scheuren en je bent bezig met eten en drinken. Eten en drinken wordt heel belangrijk als je zo ver aan het schaatsen bent. Dus je bent ook dat aan het plannen. Verder ben je nog bezig met de rest in de ogen te kijken om er achter te komen hoe je concurrenten ervoor staan. Je bent totaal niet bezig met hoe andere mensen naar die wedstrijd kijken. Totdat je over de streep komt en iedereen ineens wat van je wil. Voor mijn gevoel gaat zo’n tweehonderd kilometer best nog wel snel voorbij. Als je dan hoort wat andere mensen allemaal doen in de 5,5 uur dat wij op het ijs staan, dat is best gek.” Niels: “Ik ben niet zo bezig met eten, ik ben gewoon aan het afzien. De wedstrijd die Erwin won, was niet zo zwaar, maar die wedstrijd die Sjaak Schipper won in Zweden was echt zwaar, ook al was die korter. Het was ’s ochtends zo ijskoud geweest. Als je tweehonderd kilometer hebt geschaatst, het is bijna voor niemand te bevatten in wat voor staat je dan bent op zo’n moment.”

Niels: “Al die uren op de fiets doen we voor die tweehonderd kilometer.” En voor de Elfstedentocht? “Uiteindelijk wel. Daar moet je altijd klaar voor zijn. Je doel is toch om een bepaalde fitheid te hebben, zodat als hij komt je die wedstrijd gewoon aan kunt pakken.” Erwin: Daarom wil je als marathonschaatser ook nooit echt ziek worden of geblesseerd raken, want er is altijd een kans dat er een Elfstedentocht komt. Je hoort altijd wel een of twee verhalen van iemand die de Elfstedentocht mist omdat hij ziek, zwak of misselijk is of omdat hij geblesseerd is. Dat is iets wat je echt wil voorkomen. Ik ben altijd wel zuinig op mijn lijf en probeer te zorgen dat ik niet ziek word. Voor het geval dat.”

Dus er komt ooit weer een Elfstedentocht? “Zeker!” roepen de gebroeders in koor. “Hij komt elke dag een dag dichterbij,” zegt Erwin. “Een Elfstedentocht meerijden voor de winst is onze ultieme droom,” zegt Niels. “We weten nu allebei hoe het is om mee te rijden in een finale van 200 kilometer,“ vult Erwin aan (inmiddels weten de heren allebei hoe het is om een 200 kilometer te winnen, red.). “Maar bij een Elfstedentocht komt nog veel meer kijken. Je start in het donker, je moet goed kunnen rennen naar het ijs, er staat bijna altijd noordoostenwind, als je een minuut later dan de rest het ijs op stapt, kun je dat al bijna niet meer goedmaken. Je moet klunen en stempelen onderweg.”

Niels: “Je materiaal moet het houden, dat is nog het spannendst. Tijdens de Alternatieve Elfstedentocht die Erwin won, reed ik na drie kilometer mijn schaats krom. Ik heb toen dus de hele tocht op een kromme schaats gereden. En daarom zat ik in die kopgroep uiteindelijk. Mijn oorspronkelijke plan was om me te sparen in het peloton, maar toen reed ik die schaats krom en dacht ik ‘dan kan ik beter zorgen dat ik vooraan zit en nog niets voor de ploeg kan betekenen’ en uiteindelijk kwam ik door die beslissing in de finale van de 200 terecht. Maar materiaalpech waardoor je niet meer kunt schaatsen is echt je grootste angst. Een gat in je schaats of losse schroeven, er kan zoveel fout gaan. In je voorbereiding moet je natuurlijk zorgen dat de kans op materiaalpech zo klein mogelijk is, maar het kan natuurlijk altijd gebeuren en dan doe je niet meer mee.”

Erwin: “Het schaatsen is ons met de paplepel ingegoten”
Zeeland staat niet echt bekend als schaatsprovincie, of wel? “In Zeeland is geen ijsbaan, maar er zijn wel veel natuurijsclubs. Als er ijs ligt wordt er heel veel geschaatst in Zeeland. Het schaatsen is meer gericht op recreatie en niet op wedstrijden,” vertelt Erwin. “Mijn vader heeft in 1997 de Elfstedentocht gereden en toen er in Breda een ijsbaan kwam heeft hij ons meegenomen,” zegt Niels. ”Wij zijn wel competitief ingesteld, dus we wilden meteen de besten worden. Op de 500 meter stelde ik niks voor, maar op de lange afstanden kon ik mijn concurrenten wel verslaan. Toen bleek dat ik marathonschaatsen ook wel echt heel leuk vond.” Erwin: “Als er natuurijs was stonden we elke dag op het ijs, gingen we elke dag schaatsen, dus het is er wel met de paplepel ingegoten.” Niels: “Met kerst gingen we altijd twee weken naar de Weissensee, rond die tijd gaan ze daar ook het ijs prepareren. Dus wij schaatsten dan twee weken op het eerste ijs van de Weissensee, iedere winter weer.”

Jullie zijn wel echt toegewijde sporters. “Ja, anders verhuis je er ook niet voor naar de andere kant van het land,” vindt Erwin. “Ik heb nooit in de gewestelijke selectie gezeten in Breda, omdat ik niet hard genoeg ging. Ik ben dus niet echt een talent. Ik heb wel heel hard gewerkt, ben onderaan begonnen in de marathon en steeds een categorie omhoog gegaan. Ik heb ook veel plezier in het trainen, dus deed er steeds een schepje bovenop. Ik ben vrij snel er ook naast gaan skeeleren, daar heb ik ook altijd veel plezier in gehad. Ik heb mezelf de double push aangeleerd en ging steeds harder. Eerst train je twee keer in de week, dan steeds iets meer. Dan word je vanzelf beter. Ik denk dat het bij mij uiteindelijk 10% talent is en 90% heel hard werken.”

Niels: “Ik heb wel in het gewest gezeten. Daar werd altijd een beetje neerbuigend over marathons gedaan. Als je echt niet meer kon langebanen, moest je maar marathons gaan rijden. Zo rond mijn zestiende was ik wel een beetje klaar met langebaanschaatsen. We mochten geen marathons rijden, we mochten niet skeeleren. Toen ben ik die zomer toch gaan skeeleren en werd meteen Nederlands Kampioen bij de beloften. Dat marathonseizoen kon ik ook gelijk meedoen en wist ik dat dat was wat ik wilde. Ik heb toen meteen drie of vier jaar geen langebaanwedstrijden meer gereden. Toen ben ik hier naartoe verhuisd en had ik een trainer die zei dat ik weer eens een vijf kilometer moest gaan rijden. Dat wil nog steeds niet echt, dus dat is nog altijd een beetje een haat/liefde verhouding. Marathonschaatsen is sowieso veel leuker, maar als je bij Clafis in het team zit, wordt er wel van je verwacht dat je ook vijf kilometers rijdt. Dus dat doe ik dan en dan baal ik er wel van als het niet goed gaat. Dan wil ik mezelf wel verbeteren.”

Niels: “Ik ga niet in de middenmoot meerijden”
Uiteindelijk willen de beide heren wel weer terug naar Zeeland. Niels: “De boerderij staat in Zeeland en ik wil heel graag in het bedrijf gaan werken. Zolang ik het leuk vind, blijf ik schaatsen en dus ook hier wonen. Want vanuit Zeeland schaatsen is eigenlijk niet te doen. In Heerenveen zijn de faciliteiten. Ik wil wel echt meedoen in de wedstrijden, ik ga niet in de middenmoot meerijden. Als winnen er niet meer in zit, stop ik ermee. Ik wil het maximale uit mijn schaatscarrière halen, dat ik niet achteraf spijt heb van dingen.”

Erwin: “De kaasboerderij is van mijn moeder. Mijn vader is aannemer en die moet altijd bouwen. Hij zegt altijd dat hij in de zomer meer wil gaan trainen, omdat hij in de winter een persoonlijk record op de 200 kilometer wil schaatsen, maar uiteindelijk doet hij heel de zomer niks anders dan het huis verbouwen of de tuin doen.” “Hij heeft weer geen meter gefietst, de afgelopen zomer,” grijnst Niels.

Hebben jullie zelf helden? “Gianni Romme was mijn grote held toen ik klein was. Op de basisschool deden we hem na op het schoolplein. Maar nu ik zelf deel uitmaak van de schaatswereld ken ik iedereen zo goed dat ik dat niet meer heb,” vertelt Niels. “Ik heb geen helden,” zegt Erwin. “Nooit gehad ook.”

Hebben jullie nog ambities op de skeelers?Erwin: “Mijn skeelerambities zijn wel steeds minder geworden. Tot twee, drie jaar terug heb ik altijd geroepen dat schaatsen en skeeleren wel naast elkaar kan. Maar als je je meer op natuurijs gaat focussen, moet je zoveel uren op de fiets investeren, dat het eigenlijk niet meer naast elkaar kan. Bovendien zijn de snelheden in het skeeleren de laatste jaren ook behoorlijk omhoog gegaan. Je moet echt wel vier keer in de week op de skeelers staan om goed mee te kunnen doen. Ik skeeler meestal maar twee keer in de week. Soms rij ik nog wel een wedstrijd, maar dan weet ik al dat ik niet mee kan doen voor de winst. Zo’n wedstrijd wordt dan meer een training dan een doel op zich.”

Niels: “Het skeelercircuit is zo gedevalueerd de laatste jaren. Vroeger reden we ieder weekend een wedstrijd, vanaf april tot vlak voor het schaatsseizoen kon je ieder weekend een wedstrijd rijden en dan stond er ook altijd iemand aan de start. En nu voel je je bijna verplicht om te gaan rijden, want anders is er niemand. De lol ging er voor mij in ieder geval een beetje vanaf. Afgelopen zomer heb ik wat wielerwedstrijden gereden en dat is eigenlijk wel heel goed bevallen. Een nieuwe impuls, zeg maar. Ik kan wel aardig fietsen, heb drie of vier wedstrijden gereden en werd al een keer tweede. Ik moet ook al die jongens nog leren kennen, dus dat is ook al heel anders. Bij het skeeleren weet ik dat als Crispijn Ariens gaat, ik op moet letten, want als die wegrijdt is de wedstrijd klaar. Of als Je met Gary Hekman naar de sprint rijdt, is je wedstrijd ook gedaan. Bij het fietsen weet ik dat nog niet, dan moet ik beslissen of ik er wel of niet achteraan ga. Dan leer je ook weer tactisch nieuwe dingen.”

Hoe ziet een wedstrijddag eruit? “Wedstrijddagen kunnen best saai zijn. Om een uur of negen komen we eens een keer beneden en dan drinken we eerst koffie. Dan kijken we even televisie en slijpen onze schaatsen. De rest van de dag hangen we een beetje rond,” zegt Niels. “Eind van de ochtend of begin van de middag gaan we ook nog wel een uurtje losfietsen,” vult Erwin aan. “Dan pakken we onze tas in. Je bent eigenlijk druk met niks doen. Om een uur of vijf stappen we in de auto om naar de wedstrijd te gaan. We eten pasta. Vroeger at ik pannenkoeken, maar ik heb toch het idee dat pasta beter vult. Ik wil ook niet een uur voor de wedstrijd weer honger hebben.”

Wat doen jullie in je vrije tijd? Niels: “Sport kijken! Wat ik wel jammer vind is dat ik te weinig tijd heb om veel naar Zeeland te kunnen. Dat mis ik wel een beetje.” Erwin: “Ik werk 20 uur in de week bij een accountantskantoor als adviseur in duurzame energie. Wij geven advies aan bedrijven die willen investeren in zonnepanelen. Voor de rest heb ik mijn tijd nodig om te trainen en voor mijn vriendin. En ik kijk ook wel veel sport. Van het kijken naar andere sporten kun je ook nog veel leren. Als je naar wielrennen kijkt, kun je daar tactisch nog wel wat van opsteken. Ook van trainingsaanpak van andere jongens pik je nog wel wat mee. En het is gewoon mooi om te zien hoe anderen sport beleven. Als je zelf afziet, zie je daar niks van. Dan is het wel mooi om dat eens bij een ander te zien.” “Nou, ik kijk gewoon sport voor de lol hoor,” lacht Niels.

Lezen jullie weleens? Niels: “Ik wel, Erwin nooit. Als we op het vliegtuig stappen koop ik op Schiphol vaak wel een boek. Ik heb pas de biografie van Zlatan nog gelezen. Als ik een boek lees, lees ik het in een keer uit. Ik heb niet echt een voorkeur qua genre, kijk gewoon op de achterkant of het me leuk lijkt om te lezen.” Erwin: “Ik lees nooit, tijdens lange reizen kijk ik meestal series. Op de Weissensee bijvoorbeeld, heb je heel veel tijd. Je gaat ’s ochtends een stukje schaatsen en ’s middags een uurtje fietsen, maar de rest van de dag heb je niet echt wat te doen. Je moet veel energie sparen, zodat je de wedstrijden goed kunt rijden. Dus dan kijk ik alle films en series die ik nog wilde zien.”

Foto’s: Tims Imaging

Bron: ProSkating.nl

Afbeelding