Twee Haarlemse zusjes naar twee Heerenveense gastgezinnen
Op weg naar 4 en 5 mei komt bij de redactie van GrootHeerenveen een e-mail binnen van Odilia Hiemstra, pake- en beppesizzer van familie Johannes Hiemstra, die aan de Herenwal 102 in Heerenveen heeft gewoond en daar in de Tweede Wereldoorlog een groentewinkel had. Odilia stuurt het verhaal van twee Haarlemse zusjes, Riet (15 jaar) en Ursula (Urs, 10 jaar) Mekenkamp die in de Hongerwinter bij twee Heerenveense gastgezinnen terechtkwamen. Zij maakten hier de rest van de oorlog mee en keerden na de bevrijding weer veilig terug bij hun ouders in Noord-Holland. Dit is een fragment van hun verhaal, verteld door Riet Mekenkamp en bezorgd door Odilia Hiemstra.

Haarlem, 1944
“Het leven in Haarlem was een hele heftige tijd. Veel honger, er was niks: geen licht, geen gas, het was koud, het was donker, soms hadden we een kaars, of we een klein olielampje met een laag pitje. De laatste jaren moest je zelf hout en takken sprokkelen voor het koken en om warm te blijven. In de keuken stond zo‘n grote zwarte kachel met ringen, mijn moeder heeft haar arm eens flink verbrand. En er was steeds minder te koop, wij aten bloembollen - tulpen- of hyacintenbollen; andere bollen waren giftig - en suikerbieten, waar je pijn in je buik van kreeg. Die laatsten kookten we en maakten er stroop van.
Om een liter soep te maken gebruikten we vijf bloembollen, beetje maggi erdoor en klaar. Een deel van de bloembollen werd gedroogd in de oven en daarna tot meel vermalen. Voor pap en pannenkoeken. Soms bollen in kleine stukjes snijden en bakken als uien. Dat ging wel. Van de gaarkeuken kregen we waterige pap, en soep met aardappels, of alle varianten van kool: rode, witte, zure , weeë, niet te eten. Mijn moeder fietste dertig kilometer naar Alkmaar, ruilde daar haar mooie lakens en zilvergoed voor eten.
Hout sprokkelen was gevaarlijk. Als de Duitsers dit zagen kon je doodgeschoten worden. Er was bijna geen hout meer, de meeste bomen waren al omgezaagd, hout was uit de huizen gesloopt. Kleren en schoenen waren haast niet te koop en van slechte kwaliteit, alles was op bonnen en overal moest je in de rij staan voor je bonnen. En als er een lapje stof te koop was, uren in de rij staan voordat je aan de beurt was, en dan was ‘t vaak nog uitverkocht ook en veel te weinig. De schoenen die we droegen waren te klein, en kleren waren te klein, waar je al helemaal uit was gegroeid.
We hebben twee keer een razzia gehad in ons huis, maar mijn vader had een goede schuilplaats op zolder onder de vloer in ons huis gemaakt voor mijn broer Jan die 18 jaar was, en die anders naar Duitsland moest. Ik had een vriendje maar die zijn ouders zijn NSB geworden, daar mocht ik niet mee omgaan. In Delft waar mijn oom en tante woonden, was ook geen eten meer. Zij hebben eens 45 gulden voor een brood betaald.”
Met de Lemmerboot naar Friesland
“Mijn vader had een hoge functie bij Shell Amsterdam, een soort uitvinder. Shell had geregeld, vanwege de grote hongersnood, dat kinderen van werknemers van Shell naar Friesland konden. Het waren allemaal kinderen van 15 jaar en jonger, ouderen mochten niet mee. Urs en ik waren uitgekozen, ik was 15 jaar, Urs was 10 jaar. Het was ’s avonds donker toen wij en de andere kinderen van Haarlem naar Amsterdam zijn gebracht. De ouders moesten vlug weg, wij moesten vlug de boot op en via een trapje het ruim in, en daar lagen wij met veel kinderen naast elkaar in het stro, op weg naar Lemmer. Wij kregen een pannenkoekje die onze magen niet konden verdragen.
Het was een rijnaak, heel laag op het water, het was gevaarlijk, we voerden in het donker want ze waren bang voor bombardementen. In Lemmer werden wij opgewacht door veel mensen en werden we verdeeld om naar diverse opvanggezinnen te worden gebracht. Mijn ouders waren blij dat er twee weggingen, er was haast niks meer te eten, wat denk je dan?”
De zusjes Riet en Urs Mekenkamp kwamen in Heerenveen terecht. Ze konden niet op hetzelfde adres verblijven, maar wel vlakbij elkaar. Riet ging naar Fok 76 naar de katholieke familie Hein Popma met hun vier kleine kinderen (Theo, Guus, Marius en Margriet). Urs kwam op Herenwal 102 terecht, bij de katholieke familie Johan Hiemstra, waar elf kinderen waren. Hiemstra had er een winkel in groenten en fruit. Bij de Popma’s en bij de Hiemstra’s werd altijd gezegd: “Goed op ‘t meisje passen!”
Heerenveen, 1944-1945
“We konden gemakkelijk lopend naar elkaar toe. Ongeveer drie kwart jaar zijn we daar gebleven. In die tijd niks van thuis gehoord. We hebben ook geen post gehad of zelf geschreven. Ik had daar een hele grote slaapkamer met een grote kast en een bed, maar ik had weinig spullen en weinig kleren en geen eigen geld. Mijn kamer was boven de serre; als ik weer eens naar mijn zusje Urs was geweest, waar ik ook vaak heen ging, en ook als ik terug kwam, zat de heer des huizes, meneer Popma, daar in de serre altijd op me te wachten.
Meneer Popma was een vertegenwoordiger/zakenman, ik heb veel stoffen op een rol zien liggen, hij had een kamer vol lappen stof. Hij was 45 jaar, mevrouw Popma was 27 jaar, later onderwijzeres. Mevrouw Popma was een lieve moeder, ze liet merken dat ze blij met me was, noemde mij Rietje. Er was een dienstmeisje die ook Popma heette, geen familie. Haar familie Popma woonde op de Dracht in Heerenveen, haar voornaam weet ik niet meer. Het dienstmeisje was veel ouder, daar hoorde je niet mee om te gaan. Zij was er alleen overdag. Daarom zocht de familie Popma een vriendin voor mij, dat was de dochter van een drogist in Heerenveen, haar naam weet ik helaas niet meer, maar ze was een leuke vriendin.
Het was daar netjes en we hadden genoeg eten, we hebben geen honger gehad. Ze waren goed voor mij. Ik was gek met hun kinderen, speelde veel met hun, kon hun goed bezighouden, ik kon goed fröbelen en knutselen. Ik kon met iedereen goed opschieten. Ik ben daar nooit bang geweest. Het was daar altijd een gezellige sfeer. We zijn niet naar school geweest in Heerenveen. Soms kregen we eten uit de gaarkeuken, dat was daar veel lekkerder dan het eten van de gaarkeuken in Haarlem. Ik zie ons nog met een stel om een grote teil zitten aardappelen schillen, heel veel daarvan waren onder andere voor een hotel. We deden veel spelletjes, dammen, kaarten, met elkaar. We zijn ook nog wezen zeilen met de jongens Hiemstra.”
Riet, en ook Urs, vonden het wél vreselijk dat de wc, het húske, buiten het huis in de tuin was. Doodeng vonden ze dat. Urs hoefde niet mee te helpen in het huishouden van het gezin Hiemstra. En ze was verliefd geworden op een van de jongens Hiemstra, de 13-jarige Broer. De liefde kwam van twee kanten.
De bevrijding
“We hebben de bevrijding mee gemaakt door de Canadezen, dat was een mooie tijd. Dolblij waren we allemaal toen de Canadezen kwamen. Met hun tanks en motoren kwamen ze glorieus over de Fok, langs míjn Popma-huis. Een stukje meerijden op zo’n grote tank vonden we, ook de jonge Guus Popma van 3 jaar, geweldig. Via de weg Achter de Kerk, door naar de Vleesmarkt. Na de bevrijding zijn wij weer met een boot via Lemmer teruggegaan naar Amsterdam en vervolgens naar ons huis in Haarlem. Mijn ouders waren dankbaar dat wij ‘t zo goed hebben gehad en heel blij dat we weer thuis waren.”
Na de oorlog kwam Urs regelmatig logeren op Herenwal 102; er was ‘dikke verkering’ tussen Urs en Broer. Totdat Urs emigreerde naar Australië. Broer heeft de hele nacht in een fauteuil in de voorkamer zitten huilen, zo gaat het verhaal. Volgens de familie is er een briefwisseling tussen Broer en Urs geweest, maar die brieven zijn niet bewaard gebleven. Naar de wens van Urs zijn die allemaal vernietigd vlak voor haar dood. Ursula Mekenkamp is overleden op 3 februari 2021 in Australië. Riet Mekenkamp overleed in 2024, op 95-jarige leeftijd.
Tekst: Odilia Hiemstra
Foto’s: Riet Mekenkamp en Odilia Hiemstra
![Heerenveen. Fok 76, Huize Popma, jaren 30 ] 40](https://storage.pubble.nl/d0059c11/content/2025/4/53da2c02-e3b4-4486-9415-8a8efaf9c899_thumb1440.jpg)








