Yme Haarsma (36) uit Ouwsterhaule heeft Asperger: “Ik ben een stuiterbal in een trappenhuis!”

OUWSTERHAULE - Autisme kent vele vormen. Wat vroeger Asperger werd genoemd, heet nu algemeen ASS. Vandaag, vrijdag 2 april 2021 is het Wereld Autisme Dag. Een internationaal erkende dag, elk jaar op 2 april, die de lidstaten van de Verenigde Naties aanmoedigt om maatregelen te nemen om mensen over de hele wereld bewust te maken van mensen met autistische spectrumstoornissen, waaronder autisme en het Asperger-syndroom. Henk van der Veer, redacteur/journalist van onze Groot-kranten, was 37 jaar werkzaam in het (speciaal) onderwijs en daar deed hij ervaring op met jonge mensen die leven met een autistische stoornis. Met die ervaring in z’n rugzak ging Henk het gesprek aan met Yme Haarsma (36), die een aantal jaren geleden de diagnose kreeg dat hij behept is met Asperger.

De krokussen bloeien uitbundig in Park Heremastate in Joure, de zwarte kraaien krassen in de nog kale voorjaarsbomen als Yme ik op een tot boomstam omgeturnde bank gaan zitten. Ik vertel Yme eerst kort wie ik ben, wat ik graag van hem wil weten en dat ik begrijp dat hij moeite heeft om mij tijdens het beantwoorden van de vragen aan te kijken. Immers sociale contacten verlopen moeizaam bij mensen met Asperger. Vermijden van oogcontact is er een uiting van.

‘Je hebt ons een lange brief geschreven, waarin je het een en ander over je leven vertelt en dat je het goed vindt dat er aandacht wordt gegeven aan mensen met Asperger. Je schrijft dat je een stuiterbal in een trappenhuis bent. Wat bedoel je daar mee, Yme?’

“Op het moment dat het de bedoeling is dat de bal naar beneden gaat, stuit het maar weer op. Met gemak de andere kant op, via de muren of ergens anders. Om dan op een tussenstukje te blijven liggen. Dat is volgens mij een beetje wat Asperger doet met mij. Een stuiterbal ben ik sowieso, zo ziet mijn leven eruit. Een stuiterbal in een trappenhuis, daar komt het ongeveer wel op neer.”

Terwijl ik Yme een compliment geef om die bijna poëtische omschrijving die hij aan Asperger geeft, lacht hij en kijkt naar de grond. Met de punt van z’n schoen begint hij een gat te wroeten in de voorjaarsgrond. Aan het einde van ons gesprek zal een kuil herinneren aan het half uur dat wij op deze plaats hebben gezeten.

“Dat ik nu met de punt van mijn schoen bezig ben, terwijl jij mij iets vraagt, had ik vroeger op school ook al. Ik moest altijd iets tekenen en kriebelen, hele schriften vol. ‘Dat moet je niet doen, je moet de kop bij de les houden’, zeiden de leraren dan. Ik vond vervolgens helemaal niks aan school, had mijn gedachten er niet bij. Er waren maar weinig leraren die mij begrepen. De meest leraren deden niks anders dan zeggen dat ik op moest letten. Dat ik niks opstak terwijl ik aan het tekenen was.”

‘Voor wie is Asperger het lastigst, voor jou of voor jouw omgeving?’

“Ehhh… het is in principe voor mijzelf nooit lastig. In mijn eentje kan ik mijzelf wegstoppen en heb ik met niemand iets nodig. Alleen dan reageert de omgeving met opmerkingen als: ‘Wat mankeert er aan die vent?’ Of: ‘Hij komt nooit z’n huis uit, gaat het wel goed met hem?’ Ik denk dus dat het voor mijn omgeving, vrienden en familie, moeilijker is dan voor mijzelf. Akkoord, het is voor mij ook wel eens lastig, maar ik kan nu mijn gang gaan. Op school was het voor mij dus wel lastiger als voor anderen. Ik kan wel eens wat koud en kil overkomen.”

Ik knik omdat ik met mijn achtergrond als leraar in het voortgezet speciaal onderwijs denk te weten hoe de autistische hazen lopen. Maar of Yme mijn begrijpende geknik ook ziet? Ik noteer de biografische gegevens van Yme.

‘In je brief schrijf je over je herinneringen aan Kolderwolde: ‘Als ik niet te houden was, werd ik in een zelfgemaakt hangmatje gehangen.’ Vertel eens.’

“Ja, dat hebben ze mij verteld en dat werkte heel goed. Zo van ‘krak’ en ik kon geen kant op en het was klaar. Later zag ik op tv een programma over autisme, hoe ze ergens in Amerika met vee omgingen. Als het vee niet wilde zoals de boer, werd de koe klem gezet, zodat het geen kant meer op kon. Het beest kalmeerde, het werkte. Dat zo gek was het achteraf bezien niet dat heit en mem mij op deze manier rustig kregen.”

'Hoe kijk je terug op je schooljaren?’

“Op de basisschool waren veel jongens die gek waren van voetballers. Daar had ik niks mee. Ik zocht meer contact met jongens die net als ik ook wat alleen ‘omstrúnden’. Ik heb uiteindelijk heel wat clubjes geprobeerd, overal viel ik erbuiten. Ik snapte er niks van, hahaha! Laat maar, het klinkt wat negatief, het is niet anders. Op de mavo in Balk kon ik goed opschieten met conciërge Piet de Jong, daar bewaar ik goede herinneringen aan. Als ik dan weer eens in de kantine aan het ‘fucken’ was, schelden en zo, dan wist hij mij goed te begeleiden. Ja, die man sleepte mij erdoor. En mevrouw Van der Kooi, ik kreeg de kriebels van dat mens. Toen ik een soort van klassevertegenwoordiger werd, mocht ik van haar notulen schrijven en dat ging goed. Mevrouw Van der Kooi bleek toen wel mee te vallen.”

‘Je was ook actief in een punkband, toch?’

“Ja, beetje herrie maken, wat schreeuwen. Voor mij was het afreageren. In de weekends kon ik best losgaan, veel drinken. Zoveel ik kon. Dat was niet echt de schuld van de punkband. Mijn zoektocht leidde meer naar de punkband. Maar mijn drinkgedrag werd niet beter door de punkband, dat is dan ook wel weer zo. We zaten vaak in ’t Haske, iedereen deed mee. Ik begrijp nog niet dat ze het accepteerden. We waren zestien jaar en hadden het hele Haske voor onszelf. Het was er altijd feest en alles kon. Ik snapte er niks van. Achteraf denk ik wel dat ik best een beetje minder aso had kunnen zijn.”

‘Je kwam tijdens je middelbare schooltijd ook bij een psycholoog. Waarom was dat?’

“Ik vond niks meer aan school, ik moest mij er naar toe slepen. Ik wilde wel spijbelen, maar ik wist niet hoe. Mijn klasgenoten deden dat ook niet. Ik had ook geen voorbeelden. Dus ging ik maar weer naar school, waar ik niets aan vond. Toen kwam ik bij een GGZ-psychologe en die vertelde mijn ouders dat ik gewoon lui was. Jeetje, hé! Ik kon er ook niet goed met mijn ouders over praten wat mij dwars zat. Ik was niet altijd aardig. Later ging ik in kraakpanden wonen en heb ik wel een periode van anderhalf jaar gehad dat we elkaar niet zagen. Doei! Zoek het maar uit. ‘Net sa aardich’, maar ik heb het niet gedaan om heit en mem zeer te doen. Het gebeurde, drank en drugs. Het werd alleen maar erger. Ik woonde toen al in Groningen. Die periode heeft zo’n tien jaar geduurd.”

‘Je komt op een gegeven moment wéér bij een psycholoog. Die stelt de diagnose dat jij Asperger hebt. Wat deed dat met je?’

“Het hele onderzoek heeft wel vier maanden geduurd. Eerst dacht ik dat het wat overdreven was, maar ik kreeg wel in de gaten wat er met mij loos was. Ik heb een andere manier van denken, dát is wat het is. Mijn minderwaardigheidscomplex is sinds de diagnose aardig opgeknapt. Ik wil graag dingen zelf doen, autonomie. Ik wil mijzelf compleet in leven houden, met bijvoorbeeld een eigen groentetuin.”

Het hele gesprek duurt exact 37 minuten. Dan is het genoeg. De koolmezen laten zich horen. Het wordt voorjaar. Ook voor Yme!

Het leven van Yme in een notendop

Geboren op 1 juni 1984 in het Sint Antonius Ziekenhuis in Sneek, als oudste zoon van Wicher Haarsma en Gerland Haarsma-Vrolijk. Wél een maand te vroeg geboren (“Ik lag er in een aquarium”). Heeft broertje en zusje. Woont drie jaar in Workum en verhuist dan naar Kolderwolde. Bezoekt de basisschool in Oudega en de mavo in Balk. Volgt daarna een mbo-opleiding, eerst richting multi/grafimedia en daarna nog sociaal-cultureel werk. De opleidingen worden niet afgemaakt. Gaat in kraakpanden wonen, onder andere in Leeuwarden en Groningen. Wordt frontman van een punkband. Werkt een poosje in de staalbouw en weet zo in z’n levensonderhoud te voorzien. Wel zijn er verslavingsproblemen. Komt uiteindelijk bij een psycholoog terecht die na vier maanden de diagnose Asperger vaststelt.

Het UWV keurt Yme voor 30% af. Yme zwerft nog een aantal jaren van het ene kraakpand naar het andere. Komt uiteindelijk weer bij z’n ouders in een caravan achter in de tuin terecht. Juist op het moment dat alles op de rails lijkt, wordt Yme opgepakt wegens ‘ontvreemding’ van lood en ijzer. Yme mag nog even kort achter de deuren van het PI in Lelystad zitten, maar komt daarna onder de vleugels van de Wurkjouwer in Haskerhorne terecht. De Wurkjouwer heeft als doel Yme te begeleiden naar uiteindelijk een betaalde baan. Yme woont nu zelfstandig in een huurhuis in Ouwsterhaule. Hij doet inmiddels vrijwilligerswerk bij het Openbaar Vervoer Museum in zijn woonplaats.

Tekst en foto’s: Henk van der Veer